In 2009 I wrote my bachelor paper about ancient Egyptian letters to the dead.

In ancient Egypt, dead people were thought to live on as spirits in the afterlife. It was assumed that from there they could exert influence on other supernatural beings. The world was thought to be full of spirits and demons and gods and other supernatural beings, who could cause illnesses and other problems for humans. People would go to the tombs of their deceased relatives to bring them offerings and to ask them for help with these problems. Sometimes they would even write a letter to make sure the deceased got the message.

In one of the articles I studied (1) E.F. Wente described a letter to a deceased family member on the back of a stela from the First Intermediate Period. He had seen this stela in 1958 in an office in the Cairo Museum, while it was being approved for export by an antiquities dealer. Wente transcribed the text of the letter and published it in 1975. As he didn’t have a camera with him to take pictures, the transcription was all he had to work with. Nothing much was known about the other side of the object. The stela was then sold to a private collector, presumably in the United States.

The problem with objects being sold into private collections is that Egyptologists often don’t know that they even exist, or don’t know where they are and don’t get opportunities to study and publish them properly.

But the good news is that this stela has turned up again. My amazing fellow Egyptologist Amy Butner has just told me that it is now in the collection of the Michael C. Carlos Museum of Emory University in Atlanta, Georgia, where it has been since 2014. Here are some photos.

On http://www.academia.edu I’ve found an article about the stela (2) by E.S. Meltzer (2008). He writes that he rediscovered the letter while he was studying a stela acquired by the Harer Family Trust collection.

The stela was made for a lady named Nebetitef. On the front of the stela she is depicted in paint, holding an ankh in her right hand and lifting a lotus flower to her nose with her left hand.

Around her figure there is the following offering formula:

An offering which the king gives and [the gift of] Anubis, Lord of Sepa, [of] a goodly burial in the tomb, [for] the venerated one with Hathor, Nebetitef, born of Iutka.

An offering which the king gives through Osiris, Lord of Busiris, foremost of the westerners, Lord of Abydos. May he give offerings in the thousands of beer and bread and fowl.

On the back of the stela a letter has been written in ink. The letter was written by two men to the deceased lady Nebetitef. The first man, Merirtyfy, was probably her husband. The second man, Khuau, was her brother. Both men ask Nebetitef to fight on their behalf in the afterlife, against whatever supernatural beings were causing problems for them.

A communication by Merirtyfy to Nebetitef:

How are you? Is the west taking care of you [according to] your desire? Now since I am your beloved upon earth, fight on my behalf and intercede on behalf of my name. I did not garble [a spell] in your presence when I perpetuated your name upon earth. Remove the infirmity of my body! Please become a spirit for me [before] my eyes so that I may see you in a dream fighting on my behalf. I will then deposit offerings for you [as soon as] the sun has risen and will fill your offering table for you.

A communication by Khuau to his sister:

I have not garbled a spell in your presence, nor have I withdrawn offerings from you. Rather I have emptied out [for you my coffers]. Fight on my behalf and fight on behalf of my wife and children.

  1. E.F. Wente, ‘A misplaced letter to the dead’, Orientalia Lovaniensa Periodica 6/7 (Leuven 1975/76), 595-600.
  2. E.S. Meltzer, ‘The “misplaced letter to the dead,” and a stela, found again’, Presented at hte annual meeting of ARCE, Seattle, April 2008. https://www.academia.edu/9138477/The_Misplaced_Letter_to_the_Dead_and_a_Stela_Found_Again


Een zoekgeraakte brief teruggevonden

In 2009 schreef ik mijn bachelorscriptie over oud-Egyptische brieven aan doden.

In het oude Egypte werd geloofd dat doden voortleefden als geesten in het hiernamaals. Er werd aangenomen dat ze daarvandaan invloed konden uitoefenen op andere bovennatuurlijke wezens. Men ging ervan uit dat de wereld vol zat met geesten en demonen en goden en andere bovennatuurlijke wezens, die ziektes en andere problemen voor mensen konden veroorzaken. Mensen gingen naar de graven van hun overleden familie om hen offers te brengen en hun hulp te vragen bij deze problemen. Soms schreven ze zelfs een brief om er zeker van te zijn dat de boodschap bij de dode zou aankomen.

In één van de artikelen die ik bestudeerde (1) beschreef E.F. Wente een brief aan een gestorven familielid op de achterkant van een stèle uit de Eerste Tussenperiode. Hij had die stèle in 1958 gezien in een kantoor van het Cairo-museum, terwijl het werd goedgekeurd voor export door een antiquiteitenhandelaar. Wente transcribeerde de tekst van de brief en publiceerde die in 1975. Doordat hij geen camera bij zich had om foto’s te maken, was de transcriptie het enige waar hij mee kon werken. Over de andere kant van het object was niet veel bekend. De stèle is daarna verkocht aan een privé-collectie, waarschijnlijk in Amerika.

Het probleem met objecten die aan privé-collecties verkocht worden is dat Egyptologen vaak niet eens weten dat ze bestaan, of niet weten waar ze zijn en geen gelegenheid krijgen om ze te bestuderen en fatsoenlijk te publiceren.

Maar het goede nieuws is dat deze stèle weer tevoorschijn is gekomen. Mijn geweldige mede-Egyptologe Amy Butner heeft me net verteld dat hij zich nu bevindt in de collectie van het Michael C. Carlos-museum van de Emory-universiteit in Atlanta, Georgia, waar hij sinds 2014 is. Hier zijn wat foto’s.

Op http://www.academia.edu heb ik een artikel over deze stèle (2) gevonden van E.S. Meltzer (2008). Hij schrijft dat hij de brief terugvond toen hij een stèle bestudeerde die was aangekocht door de Harer Family Trust-collectie.

De stèle was gemaakt voor een dame die Nebetitef heette. Op de voorkant van de stèle is zij afgebeeld in verf, terwijl ze in haar rechterhand een ankh vasthoudt, en met haar linkerhand een lotusbloem naar haar neus brengt.

Rond haar afbeelding staat de volgende offerformule:

Een offer dat de koning geeft en [de gift van] Anubis, heer van Sepa, [van] een goede begrafenis in het graf, [voor] de geëerde bij Hathor, Nebetitef, geboren uit Iutka.

Een offer dat de koning geeft door Osiris, heer van Busiris, voorste van de westerlingen, heer van Abydos. Moge hij offers geven bestaand uit duizendtallen van bier, brood en gevogelte.

Op de achterkant van de stèle is in inkt een brief geschreven. De brief is door twee mannen geschreven aan de overleden dame Nebetitef. De eerste man, Merirtyfy, was waarschijnlijk haar echtgenoot. De tweede man, Khuau, was haar broer. Beide mannen vragen Nebetitef om voor hun belangen te vechten in het hiernamaals, tegen welke bovennatuurlijke wezens dan ook die problemen voor hen hadden veroorzaakt.

Een bericht van Merirtyfy aan Nebetitef:

Hoe gaat het met jou? Zorgt het westen goed voor jou [volgens] jouw wensen? Nu, omdat ik jouw geliefde op aarde ben, vecht voor mijn belang en oefen invloed uit voor mijn naam. Ik heb geen spreuk verkeerd uitgesproken in jouw aanwezigheid terwijl ik je naam op aarde deed voortleven. Verwijder de ziekte uit mijn lichaam! Word alsjeblieft een geest voor mij [voor] mijn ogen, zodat ik je moge zien in een droom terwijl je voor mijn belang vecht. Ik zal dan offers voor je brengen [zodra] de zon is opgekomen en ik zal je offertafel voor je vullen.

Een bericht van Khuau aan zijn zuster:

Ik heb geen spreuk verkeerd uitgesproken in jouw aanwezigheid, noch heb ik offers van je weggenomen. In tegendeel, ik heb [voor jou mijn voorraden] geleegd. Vecht voor mijn belang en vecht voor mijn vrouw en kinderen.

  1. E.F. Wente, ‘A misplaced letter to the dead’, Orientalia Lovaniensa Periodica 6/7 (Leuven 1975/76), 595-600.
  2. E.S. Meltzer, ‘The “misplaced letter to the dead,” and a stela, found again’, Presented at hte annual meeting of ARCE, Seattle, April 2008. https://www.academia.edu/9138477/The_Misplaced_Letter_to_the_Dead_and_a_Stela_Found_Again

chevrier ab

And here is the other special topic I came to Karnak to explore: Let me present to you what remains of the Seven Hathors in Karnak. Here are some of my photos.

This group is not depicted in the main temple of Karnak, but in the very small chapel J in the north east corner of the complex, to the west of the Osiris chapel. The chapel is usually referred to as the chapel of Osiris wp išd, because that text has been discovered inside it. Redford (1986) has identified this chapel as the ‘temple of Isis of the Great Mound’, which was built by Hory, who was a priest of Amun around the time of Osorkon II (22nd dyn.) and Takelot II and Pedubast I (early 23rd dyn). Of this chapel only a few rows of blocks remain, and only a few pieces of relief, which are not in the best condition. But the very interesting thing is that one of these reliefs depicts the seven Hathors.

The Hathors were said to appear at the birth of a child in order to foretell its fate. In fairy tales this fate could be either good or bad. In a temple context the Hathors come to foretell the fate of a god or a king. In such cases their predictions are always positive, because that fits into the ideology of the temple. They are accompanied by music and singing and dancing.

The first Hathor is shown playing two sistra, and the ladies behind her, as far as they are still visible, are playing tambourines. There are a few captions left, which identify them as Hathors from different sanctuaries. The second lady is called Hathor, lady of Heracleopolis Magna, the fourth is called Hathor, lady of the Southern Sycomore, the fifth is called Hathor, lady of the Red Lake and the sixth is called Hathor, lady of Es-Siririya. The names of the other ladies are lost.

Before the Hathors stands a priest wearing a leopard skin and carrying a Horus falcon on a standard. Opposite this group is a baboon, of which only the lower half is visible, and behind the baboon there is a male figure which is too damaged to be identified. This is where the piece of incised stone ends, but there seems to be enough space on the wall for there to have been another figure behind him. It is likely that the Hathors are playing their music for a god. Since the relief is in Karnak and the Hathors are usually associated with childbirth, a likely candidate would be Khonsu, the child of the Theban gods Amun and his wife Mut. Khonsu can sometimes be depicted as a baboon.

According to Redford this is the ‘temple of Isis of the Great Mound’, which was associated with the burial place of Osiris. In a text describing that building, it is called the msxn.t (birth place?) of Atum and the island of Re at the beginning, where Amun passes by (in proces­sion) in his feast of the first of šmw, which appears to have had solar and Osirian connections. That may suggest a variety of other child gods.


This little chapel, consisting of only two rooms, was excavated and restored in 1950. The 1951 publications by Chevrier and Leclant show photos of a reasonably well-preserved relief.

Philippe Gossaert went to Karnak in 2012 and published some new photos on the web forum Per Kemet (www.perkemet.be). These show that one of the top blocks, showing the upper halves of the second, third and fourth Hathor, is now missing.

I went to Karnak last week, and I can confirm that this block is still missing. I took a walk around the chapel and had a good look at the blocks in the vicinity, but I couldn’t find anything like the block in the photos. Is it still somewhere in the Karnak precinct? If so, who moved it, and why?

Furthermore, at first glance it seemed that the block to the right of it, with the remaining tops of the fifth, sixth and seventh Hathor was now also missing. Then, to my relief, I noticed that this block is now lying on the floor in front of the wall, upside down, and propped up on a couple of pieces of concrete. So it’s not exactly where it’s supposed to be, but at least it still exists. And who knows, at some point someone may take the trouble of restoring it to its place on the wall …



  • Chevrier, H., ‘Rapport sur les Travaux de Karnak, 1950-1951’, ASAE 51 (1951) 554, pl. II.1.
  • Guglielmi, W., Die Göttin Mr.t. Entstehung und Verehrung einer Personifikation (Leiden – New York – Copenhagen – Cologne 1991) 95 note 218.
  • Leclant, J., ‘Fouilles ets travaux en Égypte 1950-1951’, Orientalia, Nova Series 20 (1951) 463, pl. 53 [15].
  • http://www.perkemet.be/viewtopic.php?f=12&t=2741
  • Porter, B, R.L.B. Moss, Topographical Bibliography of ancient Egyptian hieroglyphic texts, reliefs, and paintings II, Theban Temples (Oxford 1972) 204 (7). The depiction of the seven Hathors is not on wall 7 but on wall 6 of the plan in Porter & Moss.
  • Redford, D.B., ‘New Light on Temple J at Karnak’, Orientalia 55 (1986) 1-15.
  • Rochholz, M., Schöpfung, Feindvernichtung, Regeneration. Untersuchung zum Symbolgehalt der machtgeladenen Zahl 7 im alten Ägypten (Wiesbaden 2002) 72 (Doc 39).



De Zeven Hathoren van Karnak

En hier is het andere speciale onderwerp dat ik in Karnak kwam onderzoeken. Laat me de resten presenteren van de Zeven Hathoren in Karnak. Hier zijn een aantal van mijn foto’s.

Deze groep is niet afgebeeld in de hoofdtempel van Karnak, maar in het kleine kapelletje J in de noordoosthoek van het complex, ten westen van de Osiriskapel. De kapel wordt meestal de kapel van Osiris wp išd genoemd, omdat die tekst erin aangetroffen is. Redford (1986) heeft dit kapelletje geïdentificeerd als de ‘tempel van Isis van de Grote Heuvel’ die gebouwd werd door Hory, een priester van Amon rond de tijd van Osorkon II (22e dynastie) en Takelot II en Pedubastis I (vroege 23e dynastie). Van het kapelletje zijn nog maar een paar rijen blokken over, en nog maar een paar stukjes reliëf, die niet in een goede staat zijn. Maar het zeer interessante ding is dat één van die reliëfs de zeven Hathoren afbeeldt.

Van de Hathoren werd gezegd dat ze verschenen bij de geboorte van een kind, om diens lot te voorspellen. In sprookjes kon dit lot zowel goed als slecht zijn. In een tempelcontext komen de Hathoren om het lot van een god of koning te voorspellen. In zulke gevallen zijn hun voorspellingen altijd positief, omdat dat past binnen de ideologie van de tempel. Ze worden begeleid door muziek en zang en dans.

De eerste Hathor is afgebeeld met twee sistra, en de dames achter haar, voor zover ze nog zichtbaar zijn, spelen tamboerijn. Er zijn een paar bijschriften bewaard gebleven, die hen identificeren als Hathoren van verschillende heiligdommen. De tweede dame heet Hathor, meesteres van Heracleopolis Magna, de vierde heet Hathor, meesteres van de Zuidelijke Sycomore, de vijfde heet Hathor, meesteres van het Rode Meer en de zesde heet Hathor, meesteres van Es-Siririya. De namen van de andere dames zijn verloren gegaan.

Voor de Hathoren staat een priester in een luipaardvel die een Horusvalk op een standaard draagt. Tegenover deze groep staat een baviaan, waarvan alleen de onderste helft zichtbaar is, en achter de baviaan staat een mannelijke figuur die te beschadigd is voor identificatie. Dit is waar het stuk bewerkte steen eindigt, maar er lijkt op de muur genoeg ruimte te zijn voor nog een figuur er achter. Het is waarschijnlijk dat de Hathoren hun muziek spelen voor een god. Omdat het reliëf in Karnak is en de Hathoren meestal geassocieerd zijn met geboorte, zou Chonsoe een logische kandidaat zijn, als kind van de Thebaanse goden Amon en zijn vrouw Moet. Chonsoe kan soms afgebeeld worden als een baviaan.

Volgens Redford is dit de ‘tempel van Isis van de Grote Heuvel’, die werd geassocieerd met de begraafplaats van Osiris. In een tekst over dat gebouw wordt het omschreven als de msxn.t (geboorteplaats?) van Atoem en het eiland van Re bij het begin, waar Amon voorbijgaat (in processie) bij zijn feest van de eerste (dag) van šmw, dat connecties schijnt te hebben gehad met de zon en met Osiris. Dat zou nog een aantal andere kindgoden kunnen suggereren.


Dit kleine kapelletje, dat uit slechts twee ruimtes bestaat, is in 1950 opgegraven en gerestaureerd. In de publicaties uit 1951 van Chevrier en Leclant staan foto’s van een redelijk goed bewaard gebleven reliëf.

Philippe Gossaert is in 2012 in Karnak geweest en heeft nieuwe foto’s gepubliceerd op het webforum Per Kemet (www.perkemet.be). Die laten zien dat één van de bovenste blokken, dat de bovenste helft afbeeldt van de tweede, derde en vierde Hathor, nu ontbreekt.

Ik ben vorige week naar Karnak geweest, en ik kan bevestigen dat dit blok nog steeds ontbreekt. Ik heb een wandelingetje om het kapelletje gemaakt en goed gekeken naar de blokken die in de buurt liggen, maar ik kon niets vinden dat lijkt op het blok op de foto’s. Is het nog ergens in het Karnak-complex? En zo ja, wie heeft het verplaatst, en waarom?

Daarnaast leek het er op het eerste gezicht even op dat het blok daar rechts van, met de resterende bovenhelften van de vijfde, zesde en zevende Hathoren, ook zoek was. Toen zag ik tot mijn opluchting dat dit blok nu op de grond voor de muur ligt, ondersteboven, en uitgestald op een paar stukken beton. Dus het is niet helemaal waar het zou moeten zijn, maar in elk geval bestaat het nog. En wie weet, misschien gaat iemand ooit nog eens de moeite nemen om het terug te plaatsen waar het thuishoort op de muur.



  • Chevrier, H., ‘Rapport sur les Travaux de Karnak, 1950-1951’, ASAE 51 (1951) 554, pl. II.1.
  • Guglielmi, W., Die Göttin Mr.t. Entstehung und Verehrung einer Personifikation (Leiden – New York – Copenhagen – Cologne 1991) 95 note 218.
  • Leclant, J., ‘Fouilles ets travaux en Égypte 1950-1951’, Orientalia, Nova Series 20 (1951) 463, pl. 53 [15].
  • http://www.perkemet.be/viewtopic.php?f=12&t=2741
  • Porter, B, R.L.B. Moss, Topographical Bibliography of ancient Egyptian hieroglyphic texts, reliefs, and paintings II, Theban Temples (Oxford 1972) 204 (7). The depiction of the seven Hathors is not on wall 7 but on wall 6 of the plan in Porter & Moss.
  • Redford, D.B., ‘New Light on Temple J at Karnak’, Orientalia 55 (1986) 1-15.
  • Rochholz, M., Schöpfung, Feindvernichtung, Regeneration. Untersuchung zum Symbolgehalt der machtgeladenen Zahl 7 im alten Ägypten (Wiesbaden 2002) 72 (Doc 39).




On wednesday December 23rd, in the middle of the night, I arrived at the Marsam Hotel in Luxor, a charming hotel with a beautiful garden terrace, located on the west bank of the Nile, just below the Qurna mountain and wedged between the mortuary temple of Merenptah and the area which used to be the gigantic mortuary temple of Amenhotep III, the entrance of which is still marked by the enormous Memnon colosses. On the way to the hotel I enjoyed a spectacular view of the hills where the tombs are located, draped in dramatic lighting.

In the morning, at breakfast time, I had a nice conversation with a German father and two daughters who were impatiently waiting to eat because they wanted to leave at 7 o’clock for an excursion. I told them that I was planning to cross to the east bank to visit Karnak, and they taught me that it’s easy and cheap to take a local mini van from the hotel down to the Nile. So after breakfast I did just that, and then crossed the Nile on the local ferry. The ferry lands next to the Luxor temple, and from there I decided to walk along the Korneesh (Nile boulevard) to Karnak. It was between 8 and 9 in the morning, and it was a lovely sunny walk, where most of the way I only saw a few local people and hardly any people trying to sell me things.

In Karnak I took a leisurely walk through most of the complex, taking a lot of photos. Apart from all the other beautiful things to see there, I especially enjoyed looking at the long rows of loose blocks with beautiful relief fragments on them. They brought my mind back to the Dakhla oasis, where we worked on the puzzle of blocks that used to be the Thoth temple of Amheida. There, we had some blocks with just a few lines on them, which sometimes makes it very difficult to determine exactly what is depicted on them. Here in Karnak, most of the blocks on display have very clear images, which are easier to identify.

But what I especially came to Karnak for were a few reliefs that I have described in papers I wrote during my Egyptology studies.

One of these reliefs is in room XV A, a chapel to the north of the bark chapel. It includes an image of Amenhotep, son of Hapu, about whom I wrote a thesis in my first year.

Amenhotep, son of Hapu was a high official during the reign of Amenhotep III, and he was responsible, among other things, for the construction of the king’s mortuary temple and the Memnon colosses. He also built an impressively large mortuary temple for himself, which is now completely lost, unfortunately. He also had a few statues of himself placed in the Karnak temple complex, which are now in the Egyptian Museum in Cairo. On one of these statues he placed a text offering his services as an intermediary in the afterlife, to help people who had problems (illnesses, for instance) that they assumed to have been caused by supernatural influences. Dead people were assumed to have the same status and influence in the afterlife as they had in their life on earth.

This statue shows signs that many people came to touch it and pray to it, in the hope of receiving Amenhotep’s help. Eventually this led to him being elevated to the status of a local saint. After this, he became associated with the famous Imhotep, the architect of the Djoser step pyramid. Imhotep had also attained the status of a saint who could be asked for help with problems of a supernatural nature. He was often referred to as the son of the god Ptah. In the Ptolemaic period, both Amenhotep, son of Hapu and Imhotep, son of Ptah became associated with the greek god of medicine, Asklepios.

At the time of Ptolemy IX, Imhotep and Amenhotep were depicted inside the Karnak temple. The pharaoh is shown offering incense to the god. The god Ptah promises him the land of Punt in return. Imhotep and Amenhotep are shown as small figures standing between them, as a kind of intermediaries for the god.

The relief was difficult to photograph though, because there was a scaffold in front of it. Here you can find some of my photos and a drawing of the relief.


Op woensdag 23 december, midden in de nacht, kwam ik aan in het Marsam Hotel in Luxor, een charmant hotel met een prachtig tuinterras, op de westoever van de Nijl, vlak onder de berg van Qurna en ingeklemd tussen de dodentempel van Merenptah en het gebied dat vroeger de gigantische dodentempel van Amenhotep III was, waarvan de ingang nog wordt gemarkeerd door de enorme Memnon-kolossen. Op weg naar het hotel genoot ik van een spectaculair uitzicht op de heuvels waar de graven liggen, gedrapeerd in dramatische verlichting.

’s Morgens, ontbijttijd, had ik een gezellig gesprek met een Duitse vader en twee dochters die ongeduldig wachtten tot ze konden eten omdat ze om 7 uur weg wilden voor een excursie. Ik vertelde dat ik van plan was om over te steken naar de oostoever om Karnak te bezoeken, en zij leerden me dat het makkelijk en goedkoop is om een lokaal minibusje te nemen van het hotel omlaag naar de Nijl. Dus na het ontbijt deed ik dat en stak ik de Nijl over op de lokale veerboot. De veerboot landt naast de Luxortempel, en daarvandaan besloot ik te gaan wandelen langs de Korneesh (Nijlboulevard) naar Karnak. Het was tussen 8 en 9 ’s ochtens en het was een mooie zonnige wandeling, waar ik het grootste deel alleen een paar plaatselijke bewoners zag, en bijna geen mensen die probeerden me iets te verkopen.

In Karnak maakte ik een rustige wandeling door het grootste deel van het complex en maakte ik heel veel foto’s. Naast alle andere prachtige dingen die je kunt zien, vond ik het vooral leuk om de lange rijen losse blokken te bekijken waar fraaie relieffragmenten op staan. Die herinnerden me aan de Dachla-oase, waar we hebben gewerkt aan de puzzel van blokken die vroeger de Thot-tempel van Amheida was. Daar hadden we sommige blokken met maar een paar lijnen erop, wat het soms moeilijk maakt om te beoordelen wat er precies op is afgebeeld. Hier in Karnak hebben de meeste blokken die tentoongesteld zijn hele duidelijke afbeeldingen die makkelijker te identificeren zijn.

Maar waar ik speciaal voor naar Karnak gekomen was, waren een aantal reliëfs die ik beschreven heb in papers die ik tijdens mijn Egyptologie-studie heb geschreven.

Eén van die reliëfs is in kamer XV A, een kapel ten noorden van de barkkapel. Dat reliëf bevat een afbeelding van Amenhotep, zoon van Hapoe, over wie ik een propedeusescriptie heb geschreven in mijn eerste jaar.

Amenhotep, zoon van Hapoe was een hoge ambtenaar tijdens de regering van Amenhotep III, en hij was onder andere verantwoordelijk voor de aanleg van de dodentempel van de farao en de Memnon-kolossen. Hij bouwde ook een opvallend grote dodentempel voor zichzelf, die helaas nu helemaal verdwenen is. Hij liet ook een aantal standbeelden van zichzelf in het Karnak-tempelcomplex plaatsen, die nu in het Egyptisch Museum in Cairo staan. Op één van die beelden zette hij een tekst waarin hij zijn diensten aanbood als tussenpersoon in het hiernamaals, om mensen te helpen die problemen (zoals ziektes) hadden, waarvan ze vermoedden dat die door bovennatuurlijke invloeden waren veroorzaakt. Van de doden werd verondersteld dat ze in het hiernamaals dezelfde status en invloed zouden hebben als ze in het leven op aarde hadden gehad.

Dit beeld vertoont tekenen dat veel mensen erheen kwamen om het aan te raken en er hun gebeden toe te richten, in de hoop dat ze hulp van Amenhotep zouden krijgen. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat hij werd verheven tot de status van een plaatselijke heilige. Daarna werd hij in verband gebracht met de beroemde Imhotep, de architect van de trappenpiramide van Djoser. Imhotep had ook de status van een heilige bereikt aan wie hulp kon worden gevraagd voor problemen van een bovennatuurlijke aard. Hij werd vaak de zoon van de god Ptah genoemd. In de Ptolemeïsche tijd werden zowel Amenhotep, zoon van Hapoe als Imhotep, zoon van Ptah in verband gebracht met de griekse god van de geneeskunst, Asklepios.

In de tijd van Ptolemaeüs IX werden Imhotep en Amenhotep afgebeeld in de Karnaktempel. De farao is afgebeeld terwijl hij wierook offert aan de god. De god Ptah belooft hem het land van Poent als tegenprestatie. Imhotep en Amenhotep zijn afgebeeld als kleine figuurtjes die naast hem staan, als een soort tussenpersonen voor de god.

Het reliëf was wel moeilijk te fotograferen, want er stond een steiger voor. Hier kun je een aantal van mijn foto’s vinden en een tekening van het reliëf.

Our Leiden Professor of Egyptology has given a TEDx talk about his field work in the Dakhla oasis in Egypt, where I had the great honour of being an assistant epigrapher for one season in 2012.

The discovery of a large number of blocks from a Thoth temple in Amheida (the Roman city of Trimithis) has yielded new information about the relatively unknown pharaoh Petubastis IV.

This pharaoh may have played an important role in Herodotus’ famous story of Cambyses’ army of 50,000 men, who travelled into the desert and were never seen again.

Not only is this a talk about amazing discoveries in Egyptology, but also about why it’s cool to be an Egyptologist!


Onze Leidse professor Egyptologie heeft een TEDx-lezing gegeven over zijn veldwerk in de Dakhla-oase in Egypt, waar ik de grote eer had om één seizoen in 2012 een assistent-epigraaf te zijn.

De ontdekking van een groot aantal blokken van een Thot-tempel in Amheida (de Romeinse stad Trimithis) heeft nieuwe informatie opgeleverd over de relatief onbekende farao Petubastis IV.

Deze farao heeft mogelijk een belangrijke rol gespeeld in het beroemde verhaal van Herodotus over Kambyses’ leger van 50.000 man, die de woestijn in trokken en nooit meer teruggezien zijn.

Niet alleen is dit een lezing over geweldige ontdekkingen in de Egyptologie, maar ook over waarom het cool is om een egyptoloog te zijn!



In ancient Egypt, learning to read and write was a privilege of the elite. Well educated scribes were destined for the most important jobs in Egyptian society: courtiers, government officials, priests, army officers, diplomats.

The students were taught to read and write with a large variety of texts. Some of these have been specifically written for young students. They elaborate on the virtues of having a good education. They compare the comfortable life of a wealthy scribe to a large number of other professions, to show the student how lucky his position in life is. But it appears that this is not enough to motivate a student whose mind is on other things. Thus, the texts also admonish.

If you do not pay attention, you will be beaten. With a stick. This must have been a common way of dealing with inattentive students, because it is mentioned in such texts quite often.

The following text makes this notion even more explicit by giving a description that paints a very clear picture: a boy’s ear is upon his back – he only hears when he is beaten.

The scribe Amenemope speaks to the scribe Pabes. This letter is brought to you to the following effect: O scribe, be not idle, or you will be promptly curbed. Do not give your heart to pleasures, or you shall be a failure. Write with your hand, read with your mouth, and take advice from those who know more than you. Practice the office of magistrate, that you may exercise it in old age. Fortunate is a scribe, skilled in his office, a master of upbringing (…). Persevere in your work every day, so you will gain mastery over it. Spend no day of idleness or you will be beaten. A boy’s ear is indeed upon his back; he only hears when he is beaten. Pay attention, listen to what I am saying, it will be useful for you. Apes can be taught to dance and horses can be tamed, a kite can be placed in a nest and a falcon can be caught by the wings. Persevere in taking advice. Do not slacken. Write without distaste. Pay attention, listen to my words, you may find them advantageous.

Advice to the youthful scribe Pabes, from his teacher Amenemope, a officer of charioteers and royal messenger in the Syrian countries from Sile to Jaffa.

Gardiner, LEM 23f, Caminos, LEM, 83-85.

20th dynasty, papyrus Anastasi V, 8.1-9.1


Het oor van een jongen zit op zijn rug

In het oude Egypte was leren lezen en schrijven een voorrecht van de elite. Goed opgeleide schrijvers waren voorbestemd voor de belangrijkste banen in de Egyptische maatschappij: hovelingen, overheidsambtenaren, priesters, legerofficieren, diplomaten.

De studenten kregen lees- en schrijfles met een verscheidenheid aan teksten. Sommige daarvan zijn specifiek voor jonge studenten geschreven. Die weiden uit over de voordelen van een goede opleiding. Ze vergelijken het comfortabele leven van een rijke schrijver met een groot aantal andere beroepen, om de student duidelijk te maken hoe gunstig zijn positie is. Maar het lijkt erop dat dit niet genoeg is om een student te motiveren als hij met zijn hoofd ergens anders is. Daarom geven de teksten ook aansporingen. Als je niet oplet, word je geslagen. Met een stok. Dat moet een normale manier zijn geweest om met onoplettende studenten om te gaan, want het wordt behoorlijk vaak in zulke teksten vermeld.

De volgende tekst maakt dit idee nog explicieter, door een beschrijving te geven die een heel duidelijk beeld schetst: het oor van een jongen zit op zijn rug – hij luistert alleen als hij wordt geslagen.

De schrijver Amenemope spreekt tot de schrijver Pabes. Deze brief is aan jou gebracht voor het volgende: O schrijver, wees niet lui, of je zult direct gestraft worden. Geef je hart niet over aan pleziertjes, of je zult falen. Schrijf met je hand, lees met je mond, en neem advies aan van degenen die meer weten dan jij. Oefen het ambt van een rechter, zodat je het op je oude dag zult uitoefenen. Fortuinlijk is een schrijver, ervaren in zijn ambt, meester van bevordering (…). Toon elke dag doorzetting in je werk, zodat je het onder de knie krijgt. Breng geen dag in luiheid door, of je wordt geslagen. Het oor van een jongen zit op zijn rug; hij hoort alleen als hij wordt geslagen. Wees aandachtig, luister naar wat ik zeg, het zal nuttig voor je zijn. Apen kun je leren dansen, paarden kunnen getemd worden, een wouw kan in een nest worden geplaatst en een valk kan bij de vleugels gevat worden. Toon doorzetting in het aannemen van advies. Wees niet slap. Schrijf zonder tegenzin. Wees aandachtig, luister naar mijn woorden, je kunt er je voordeel mee doen.

Advies aan de jonge schrijver Pabes, van zijn leraar Amenemope, officier van de wagenmenners en koninklijke boodschapper in de Syrische landen van Sile tot Jaffa.

Gardiner, LEM 23f, Caminos, LEM, 83-85.

20e dynastie, papyrus Anastasi V, 8.1-9.1

Happy New Year!


With this ancient Egyptian new year flask, I wish you a very happy new year!

One of the sides of this flask shows the inscription “May Thoth open a good year for the owner of it”.


Seven Hathors 02 Edfu Mammisi P1120618

The Belgian internet forum ‘Pr Kmt’ has published an interview with me (in Dutch) about my master thesis in Egyptology: ‘The Seven Hathors, Musicians of Fate’ (Leiden 2012).

This interview (in Dutch) can be found here.

For the benefit of my foreign friends, here is my translation of the interview into English.

Are the Seven Hathors depicted throughout pharaonic history?

Depictions of the Hathors occur mainly from the Late Period onwards, and mostly in Graeco-Roman temples. But the Hathors already existed in the New Kingdom. Sporadically in depictions, but mainly in text, most importantly in two fairy tales: the tale of the ‘Doomed Prince’ and the tale of the ‘Two Brothers’. There the Hathors appear at a birth, like the fairies in The Sleeping Beauty, to foretell the fate of the newly born child. In the New Kingdom these tales were written on papyri that have survived for us. It is not known how long the stories had been told before that.

In the Old Kingdom there was an earlier tale of a prediction at the birth of three future kings, in the Westcar papyrus. This prediction is made by a group of other goddesses who come to help with the birth, disguised as musicians.

Apparently the idea of the Seven Hathors as divine determiners of fate was very popular and spread throughout Egypt. A possible reason for that is that people can sometimes be struck by an act of fate that seems very unjust (like infant mortality). Belief in predestination can then serve as an explanation in which one may find some solace.

What are the Seven Hathors? Why seven?

It is unclear how this group of goddesses came into being. They probably originated in the fairy tales I mentioned. The number seven has been a magic number throughout history, also in ancient Egypt. Repeating an utterance or action seven times gives it extra potency, and thus a sevenfold of goddesses will be extra powerful. The goddess Hathor is associated with love, sexuality, motherhood and all things feminine, but it is not clear why this group of seven, which operates as an entity completely separate from Hathor, should carry her name.

It is possible that the story in the Westcar papyrus says something about labour and childbirth in daily life, but not much is known about that. It is quite likely that a group of women would visit at a birth, to help with the labour and make music and bring good wishes.

Was this predestination inevitable? Could one intervene and change it?

Predestination was clearly a popular motif, which also appeared in royal birth legends, as depicted e.g. in the temple of Hatshepsut, in which the god Amun impregnates the queen-mother with a child which is predestined for kingship. This motif later reappears in birth houses (mammisis) of temples, in which the divine child of the temple’s triad of gods is ritually engendered and born.

The practical ancient Egyptians found many means in religion and magic with which to influence their fate as much as possible. The ma’at principle started with the premise that exemplary behaviour is rewarded by the gods. Furthermore, the favour of the gods could be influenced through offerings and prayers, and if all else failed through the use of magic. Through a magic spell a deity could be convinced to assist the speaker, sometimes by the power of the magician’s secret knowledge, sometimes even by threats. And with that apparently even a predestined unhappy fate could be averted.

This idea is proved by the existence of many magico-medical spells in which the gods, among whom the Seven Hathors, are invoked, sometimes even threatened, to be benificent towards the speaker.

And this has led me to the conclusion that the tale of the ‘Doomed Prince’ – the end of which is unfortunately lost – did have a positive ending (‘and they lived happily ever after’). The prince, who was brave and pious, and who had all good characteristics needed to become an exemplary king, had an excellent chance of being saved from his doom by a kindly disposed god.

Are there hymns, prayers and utterances specific to the Seven Hathors?

There is quite a number of prayers and utterances addressing the Seven Hathors, in order to influence the fate of the speaker. I have described a number of these on my blog.


In the southern crypt of the temple of Dendera there is a hymn belonging with a scene in which the Seven Hathors play their tambourines. In the hymn the Hathors sing to the majesty of Hathor, the goddess of Dendera.

http://www.hethert.org/hymnsprayers.htm#Hymn of the Seven Hathors

Was there an interaction between private and official religion in the case of the Seven Hathors?

In all periods of Egyptian history existing ideas were adapted, elaborated and reused in new contexts. From the Late Period onwards the mythology of temples is expanded ever further. For instance, in several places local saints are incorporated into the official pantheon of temples, like Imhotep and Amenhotep son of Hapu, who were both venerated because of their healing powers.

The Hathors probably originated in fairy tales. The idea was so popular that it spread throughout the country and was used in magic spells and also on an offering stela. During the Late Period the Hathors occur on a few monuments placed within temple precincts by high officials. It is in the reign of Darius that the Hathors first occur inside a temple: the Hibis temple in the Kharga oasis. From the Graeco-Roman period they begin to play a role in the birth mythologies of the temples, in which the god and goddess of a temple engender a child. The birth of this child was ritually celebrated every year. Through this the eternal existence of the temple was guaranteed, as well as the eternal existence of Egyptian kingship and the eternal existence of the annual cycle of the Nile flood and the harvest season.

This annual birth of the divine child was closely connected with kingship. The pharaoh was symbolically linked to the newly born god. And his future on the throne was predestined by the Seven Hathors. On temple walls the Hathors are shown suckling the young god, and sometimes the king, with their milk which bestows upon him all the good characteristics of an exemplary ruler, or beating their tambourines to welcome him into the world and wish him well.

How are the Seven Hathors depicted. Always as ladies?

The Hathors are always depicted as ladies – usually in the traditional attire of Hathor, wearing a crown of cow horns surrounding a sun disk. They are often depicted with tambourines, or suckling a child.

During the 19th century some Egyptologists came up with the notion that the Seven Hathors could also be associated with the seven cows and their bull, which are mentioned in the Book of the Dead (spells 141 and 148) and which are often depicted in tombs, as in the famous tomb of queen Nefertari. The logic behind the idea is that Hathor could also be depicted in the shape of a cow. This idea has been repeated and copied often in Egyptology. However, I haven’t been able to find a single shred of evidence in ancient Egyptian sources for an association between these cows and the Seven Hathors.

One expects the Seven Hathors in Dendera and in birth houses (mammisis). In Philae they are depicted on the pylon at the entrance to the birth house. But why are they depicted at the Wabet in the Horus temple of Edfu?

The Hathors are strongly associated with the birth of the divine child of a temple. This is why they occur most often in mammisis. But this annual rebirth is also associated with the eternal cycles of kingship and of the Nile inundation. The Wabet (sun court) was used in various temple festivals associated with these annual renewal cycles. There too the Seven Hathors apparently played their tambourines, both in Edfu and in Dendera, to offer their good wishes.

May I also ask why the Seven Hathors are depicted in this chapel in Karnak?


The Osiris-Wep-Ished chapel in the north east of the Karnak temple complex is (according to an article by Redford) the ‘temple of Isis of the Great Mound’. This private chapel was commissioned by Hori, an Amun priest at the time of Osorkon II (22nd dynasty) and Takelot II and Pedubast I (23rd dynasty). The chapel lay along a procession route where Amun apparently passed on the first day of the Shemu-season. The building is associated with Osiris, Atum and Ra, but there is too little information to clarify the exact function of the Hathors in this context. Presumably here too they are playing their tambourines at a ritual of annual renewal/rejuvenation.

What literature about the Seven Hathors and their functions can you recommend?

The main starting point for my research was

Rochholz, M., Schöpfung, Feindvernichtung, Regeneration. Untersuchung zum Symbolgehalt der machtgeladenen Zahl 7 im alten Ägypten (Wiesbaden 2002),

who has made an inventory of various groups of seven, among which the Hathors. I have used most of his sources in my catalogue and have added a number of new sources. I plan to publish an article about my findings on the subject.